Faalangst in het onderwijs: Wat is faalangst en wanneer ontstaat het ?

Faalangst is een merkwaardig verschijnsel. In spannende omstandigheden (bijvoorbeeld bij een toets) wordt het faalangstige kind zo angstig, dat het als het ware verkrampt. Daardoor presteert het kind minder dan het in werkelijkheid kan. De auteur I. Coomans zegt er het volgende over:

Faalangst is het geheel van fysieke, cognitieve en gedragsmatige reacties op een situatie waarbinnen men, naar eigen aanvoelen, een prestatie moet leveren die om een of andere reden belangrijk wordt geacht, en waarbij men de kans op mislukking reëel inschat.

Het is onze ervaring (de Mee-denkers) dat mensen die een ooit prestatiegerichte
overlevingsstrategie hebben gekozen en mensen die zich niet goed hebben voorbereid het meest
last hebben van angst om te falen. Van de laatstgenoemden weten we vaak van te voren zeker
dat ze zullen falen. Bij de eerstgenoemde groep verwacht men het vaak niet.
Faalangst ontstaat dus in situaties waarbij iemand beoordeeld wordt of beoordeeld denkt te worden.
Dit is ook het kenmerkende van faalangst: het treedt alleen op in bepaalde toestanden. Het is als
het ware een afgebakende angst. Het kan voorkomen dat een 'faalangstige' leerling alleen last
heeft van faalangst bij het vak taal. Bij rekenen bijvoorbeeld kan het kind helemaal geen faalangst vertonen en gaat het juist met plezier aan het werk.
De school, als onderwijsinstituut, zit vol taakopdrachten (beoordelingen!) van kinderen. Bij vliegers, die een aantal keer per jaar in een flightsimulator, onder toezicht van een examinator steeds maar weer moeten bewijzen dat ze nog geschikt zijn en adequaat op stresssituaties kunnen reageren kan er na verloop van tijd ook faalangst optreden. Het is dan ook niet zo gek, dat faalangst vooral in die situaties en op scholen voorkomt.

Drie soorten faalangst:

Angst kan al optreden als de leerkracht de toets uitdeelt. Er moet nu min of meer verplicht een taak uitgevoerd worden.. Ook kan een kind geheel verkrampen bij het zien van allerlei toestellen in de gymzaal. Er zijn dan ook drie soorten faalangst:

Motorische faalangst: ('Ik durf dat wandrek niet in')

Er zijn kinderen die heel angstig worden bij vakken als tekenen, handvaardigheid en bewegingsonderwijs.
Er wordt een beroep gedaan op het motorisch handelen. Er zijn kinderen die er vreselijk tegenop zien iets met hun lijf te moeten doen Dit handelen lukt niet, omdat de angst zorgt voor een verkrampte houding. De leerkracht verwacht dit niet, omdat het kind fysiek wel in staat is de oefening uit te voeren.

Sociale faalangst: ('Ik ben bang dat ze me uit zullen lachen')

Kinderen trekken op school de hele dag met elkaar op, grotendeels in groepsverband. Voor de een is dat heerlijk, voor de ander een ramp. Om op een doelmatige manier met klasgenoten op te trekken is heel wat nodig. Je moet bijvoorbeeld weten hoe je een beetje meetelt in de groep. Of: hoe je juist niet al te veel opvalt.
Het kind dat sociaal faalangstig is ervaart de school niet als een rustige, veilige plek. Het heeft telkens het gevoel dat het niet aardig of lief wordt gevonden. Volgens de auteur Wolpe houdt sociale faalangst in dat het kind bang is voor kritiek, voor bekeken worden tijdens het werk, voor niet- geaccepteerd worden, voor sociaal op de voorgrond treden en voor autoriteitspersonen. Er is sprake van een geremdheid in het leggen van contacten en het hebben van te weinig sociale vaardigheden. Aan de leerling is vaak te zien of hij of zij sociaal faalangstig is (denk maar aan het teruggetrokken, stille kind of juist het drukke, nerveuze kind).

Cognitieve faalangst: 'Ik behoor het te kunnen, maar..')

Deze vorm van faalangst slaat voornamelijk op opdrachten die te maken hebben met het leren op school, waar een beoordeling aan te pas komt. Het kan al zo zijn dat als de leerkracht nieuwe leerstof aankondigt, de leerling last heeft van klamme handen, hoofdpijn, buikpijn etc. Hierdoor kunnen de leerlingen de uitleg slecht volgen. Hun concentratie wordt gestoord door de vrees dat ze het wel weer niet zullen snappen. Het vooruitzicht van een toets of overhoring zorgt voor een piek in de cognitieve angst.

Mengvormen:

Cognitieve, motorische en sociale faalangst kunnen in combinatie met elkaar voorkomen. Een leerling die onverwacht voor de klas een beurt krijgt, kan geblokkeerd raken door alle ogen die hij of zij op zich gericht weet. Het feit dat de leerling de geleerde woordjes niet meer weet, vormt het cognitieve aspect, de rol van het publiek van klasgenoten het sociale aspect.
Faalangst lijkt bovendien als een olievlek te werken : het begint op een klein afgebakend terrein, maar ongemerkt breidt de angst zich uit naar andere situaties.
Faalangst uit zich op school in verschillende vormen: je kunt spreken van motorische-, sociale- en cognitieve faalangst. Ook bestaat er een mengvorm van deze drie faalangstvormen.
Het lichaam reageert verschillend op faalangst, het ene kind spreekt over misselijk en hoofdpijn. Een ander kind heeft het over een wilde storm in -of een strakke band om - het hoofd die het denken geheel blokkeert.
Faalangst is een gevoel en gevoelens zijn niet altijd zichtbaar voor de buitenwereld.